10c. Functiebegeleiding en mentoraat...

Het is al eerder in dit rapport vermeld. Personeel komt ons dagcentrum binnen met sterk wisselende ‘persoonlijke bagage’. Dat is de ene kant.
De andere kant is dat hen in het kader van dit rapport eenduidige eisen gesteld worden.

Personeelsleden hebben en vervullen in het kader van dit rapport binnen ons dagcentrum – in welke formele functie men dan ook aangesteld is doet er niet toe – 3 taken:

  1. Het mentoraat voor een beperkt aantal deelnemers.
  2. Functiebegeleiding voor een beperkt aantal deelnemers.
  3. Subtaak.

Dat geldt zowel voor het werken in de vier ateliers, de kantine, keuken als voor de HV-groep. 20% van deze functie wordt gereserveerd voor de subtaak (c): dat kan een subtaak zijn die gericht is op algemene activiteiten t.b.v. deelnemers, maar het kan ook een subtaak zijn t.b.v. de organisatie van het dagcentrum. Deze 20% heeft betrekking op tijd.
Buiten die subtaak houden we een functie van 80% in tijd over.
Deze functie valt uiteen in:

  1. 40% Mentoraat.
  2. 40% Functiebegeleiding.

De percentages vertegenwoordigen hier het gewicht van de taak, niet de verdeling in het aantal uren.

Onder de Functiebegeleidingstaak wordt verstaan:

  • Het trainen, scholen en plannen van deelactivitieten van deelnemers.
  • Het ontwikkelen en toepassen van hulpmiddelen.
  • Het werken met en volgens een Functiedeelplan (MBO).
  • Het overleg m.b.t. evaluaties, vorderingen en aanpassingen.
  • Het beheer en de besteding van het Functiebudget.
  • Het opstellen en actueel houden van en werken met het Functiebegeleidingsplan (MBO).

Onder de Mentoraatstaak wordt verstaan:

  • Het begeleiden en volgen van de deelnemer in de uitoefening van zijn deelnemersfunctie.
  • Het opstellen, actueel houden en evalueren van het mentoraatsdeelplan (MBO).
  • Het aanspreekpunt zijn voor de deelnemer, diens thuismilieu en het (tijdig) inschakelen van andere disciplines.
  • Het voeren van overleg en bewaken van de vorderingen m.b.t. het totale aanbod van het dagcentrum t.o.v. de deelnemer.
  • Het voeren van een actieve individuele verwantenparticipatie.
  • Het opstellen, actueel houden en werken volgens het Mentoraatsplan (MBO).

10c1. Methodisch denken en handelen...

Indien we de deelnemer begeleiden in de uitoefening van zijn deelnemersfunctie en we gaan daarbij uit van de vaardigheden en interesses van de deelnemer, dan is de kans groot, dat we in een kuil vallen die we zelf gegraven hebben.

De begeleiding van de deelnemer komt pas dan goed tot zijn recht indien uitgaande van de deelnemer getracht wordt hem een stap verder te brengen. Als begeleider zul je dus structureel tijd en aandacht moeten hebben en ontwikkelen voor de ‘volgende stap’ in de begeleiding van de deelnemer. Dat veronderstelt een route...
Stap 3 komt immers na stap 2 en voor stap 4.

De begeleider die zich denkt onmisbaar te maken door tot in lengte van jaren aanvullende, moeilijke werkjes op te knappen of gevaarlijke machines te bedienen..., mislukt.
De werkelijk onmisbare begeleider is in zijn begeleiding voornamelijk bezig een stap verder te denken en een stap verder te handelen. Dat doet hij door aanvullende hulpmiddelen te ontwikkelen, moeilijke werkjes gemakkelijker te maken en gevaarlijke machines ongevaarlijk te maken.
Die begeleider is onmisbaar..., want hij brengt de deelnemer steeds een stapje verder.

Geef de persoon met honger een bord, mes en vork en een vis en leer hem eten... of:
Geef de persoon met honger een hengel en leer hem vissen.

Zeker is, dat de laatste persoon geen honger meer zal kennen, al zal er wel het nodige op zijn eetgedrag aan te merken zijn.
De eerste persoon leert ondertussen keurig eten, maar heeft wel zeer regelmatig honger en is daardoor afhankelijk van jou.

Tel uit je winst: welke begeleider wil je zijn?
Welke begeleider moet je zijn?

Al ligt de dagelijkse praktijk niet zo zwart-wit als hierboven uiteengezet, duidelijk is, dat de komende jaren bij de realisering van dit rapport op het terrein van het methodisch handelen nog zeer veel geleerd en vooral, opnieuw geleerd moet worden.
De MBO-werkwijze, gekoppeld aan een goed methodisch handelen, staat borg voor een deskundige uitoefening van het vak.

Via diverse opleidingen is het vak methodiek bekend:
Het zal – veel meer dan nu – onder het stof vandaan moeten komen. De deelnemer heeft er recht op. Het brengt hem verder.
De begeleider ook. Hiermee heeft jouw handelen handen en voeten gekregen en dat is zichtbaar voor iedere betrokkene.

10c2. Scholing en begeleiding...

Voor een goede uitoefening van de mentoraatstaak en de functieleiderstaak is een goede scholing en begeleiding van het personeel onontbeerlijk.

Zonder nu een gedetailleerde invulling van die scholing en begeleiding te (kunnen) geven, behoren wel de volgende voornemens in dit rapport te worden vermeld:

Scholing:

Hier onderscheiden we a. interne en b. externe scholing.

Interne scholing:
Externe scholing:
Excursies/training/personeelsuitwisseling.
Kort durende agogische, technische, aanvullende opleiding ter versterking van ofwel de mentoraatstaak ofwel de functieleidertaak.

Begeleiding:

Hier onderscheiden we 4 soorten begeleiding.

  1. Het formele Begeleidingsgesprek: deze vormt het ‘voorportaal’ van functionerings/beoordelingsgesprekken. Deze worden 2x per jaar gehouden met het hoofd m.b.t. de persoonlijke (voort)gang van zaken. Deze gesprekken houden tevens een evaluatie in van het afgelopen jaar en een legitimatie voor het komende jaar.
  2. Daarnaast worden 2x per jaar Begeleidingsgesprekken gehouden met het plv. hoofd m.b.t. de aparte deelfuncties: mentoraat, functieleider en subtaak.
  3. Werkbegeleiding 1:
    Deze wordt gegeven door de orthopedagoog via een twee-sporenbeleid. Er worden problemen doorgesproken die bij de uitoefening van de mentoraatstaak of de functieleiderstaak aan de orde komen.
  4. Werkbegeleiding 2:
    De orthopedagoog – indien nodig samen met andere disciplines – kan worden geconsulteerd m.b.t. trainingen, studie, verdieping en aanleren van vaardigheden enz.
    Attitude versterkende elementen.

Het ligt overigens aan het individuele personeelslid of en zo ja, van welke diensten hij gebruik maakt cq wenst te maken in het kader van de werkbegeleiding.

10c3. Attitude...

In deze bijlage zijn vele facetten van het personeelsbeleid aan de orde geweest. Niet alles is behandeld en even uitgebreid behandeld. Maar de meeste zaken die besproken zijn, zullen in nadere uitwerking glashelder en goed meetbaar gemaakt kunnen worden. De attitude, welke in het kader van dit rapport voor dit dagcentrum gevraagd wordt, valt veel moeilijker te omschrijven.

Laat staan dat deze attitude meetbaar gemaakt zou kunnen worden. Toch vormt ieder besproken en meetbaar aspect op zich een stimulans die – samen met alle andere genoemde en meetbare aspecten – de gewenste attitude tot gevolg zal hebben.

Met al onze kennis, vaardigheden, visie, inzet en overige mogelijkheden en middelen is het mogelijk onze deelnemers in 1995 een grote stap verder te brengen. Het sleutelwoord daarbij is: optimale individualisering in de begeleiding.

Welnu, dat geldt ook voor onszelf:

Een eigen mentoraatstaak.
Een eigen functieleidertaak.
Een eigen subtaak.
Een eigen budget.
Een eigen (werk)begeleidingsrecht.

Dan kunnen we uitgroeien tot personeelsleden met een zakelijke kijk op de dingen, een methodische basis, een MBO-werkwijze, een onafhankelijk denken, een gezamenlijke doelstelling en tenslotte: met het hart op de goede plaats.

11. Uitgangspunten Accommodatiebeleid...