12b. Sponsoring en eigen verdiensten...

Duurzaam uitgangspunt voor financieel beleid is dat de basale gang van zaken binnen een organisatie – ook de onze – zijn grond vindt in zekere factoren. T.o.v. sponsoring en eigen verdiensten geldt het exploitatiebudget als een zekere factor.

Dus dit betekent dat de basisorganisatie en de basis-aanbod kosten volledig en uitsluitend uit de exploitatiemiddelen bekostigd mogen en kunnen worden. Sponsoring is derhalve een prima middel ter aanvulling: echter, ook zonder sponsorgelden moet ons aanbod volwaardig zijn. Eigen verdiensten zijn voornamelijk bedoeld als agogisch middel, niet ontkend kan worden dat de eigen verdiensten ons in staat stellen het ‘langer met de exploitatiemiddelen uit te kunnen houden’. Van winst is overigens geen enkele sprake.

Toch hebben beide inkomstenbronnen wel enige invloed op de besteding van de exploitatiegelden. Dat zal verder in deze bijlage blijken. Onder sponsoring verstaan we alle fondsen en acties welke er op gericht zijn extra gelden – al dan niet met een bepaald doel binnen te brengen. (Eigen bijdrage buitenweek – Ouderfonds – Vrienden van Coloriet, enz.)

De eigen verdiensten welke volgen uit de levering van producten en diensten zullen in de eerste plaats beschikbaar zijn en blijven als agogisch middel in de arbeidsmatige werkwijze. Maar wel zal een gedeelte van die eigen verdiensten 2 andere doelen mee krijgen:

  1. Zij zullen een bijdrage leveren aan de subsidiëring van die activiteiten die (nog) geen of nagenoeg (nog) geen eigen verdiensten opleveren. Zo dat ook die activiteiten mogelijk blijven zolang het nut daarvan kan worden aangetoond. Ook die activiteiten kennen daardoor ‘geld’ als agogisch middel.
  2. Een deel van de eigen-verdiensten (we spreken hier over een in aanleg symbolisch bedrag) zal als extra motief kunnen dienen bij de motivering van gewenste (extra) investeringen in de activiteit. De deelnemer laat hiermee zien dat het hem wat waard is die investering gehonoreerd te krijgen.

Tevens wordt hiermee een grotere, betere aankoop mogelijk gemaakt. In zekere zin geldt ook hier de agogische waarde van de eigen verdiensten. (sparen)

12b1. Verdeelsleutel voor eigen verdiensten...

De deelnemer voert een deelnemersfunctie uit. Deze deelnemersfunctie bestaat uit een aantal deelactiviteiten. Per deelactiviteit kan dat producten en/of diensten leiden waaruit opbrengst ontstaat. Dat geldt niet als een deelnemer bij een bepaalde deelactiviteit nog in een bepaalde opleidingsfase verkeert.

De opbrengst bij verkoop is geen eigendom van de deelnemer, noch van de functiebegeleider. De betreffende functiebegeleider registreert die opbrengst (samen met de deelnemer).

De functiebegeleider heeft een jaarlijks functiebudget t.b.v. de deelactiviteiten.

Welnu: de opbrengst per 31 december van ieder jaar per deelactiviteit blijft op zich ongewijzigd.

Maar het functiebudget vanuit de exploitatiemiddelen van de functiebegeleider voor het volgend jaar wordt ‘gekort’ met het bedrag dat gelijk is aan de helft van de eigen verdiensten op de begeleide deelactiviteiten in het voorbije jaar.
Waarom?

  1. Omdat voorkomen moet worden dat deelnemers en functiebegeleiders zich ‘rijk werken’.
  2. Omdat het niet hun persoonlijke recht betreft om over dat geld te beschikken.
  3. Omdat ook scholing en training en experimenten mogelijk moeten zijn voor deelactiviteiten voor deelnemers, die dus geen geld opleveren.
  4. Omdat ook deze training/scholing niet afhankelijk gemaakt mag worden van de winstgevendheid van andere deelactiviteiten van die ene deelnemer of die ene functiebegeleider.
  5. Omdat diensten en producten ook hun nut kunnen hebben zonder dat ze (voldoende) eigen verdiensten opleveren.
  6. Omdat deze activiteiten, mits daar een goede onderbouwing voor aanwezig is net zo goed gegarandeerd moeten kunnen worden.

12b2. Functiebudget per deelnemer...

De functiebegeleider heeft een jaarlijks vastgesteld functiebudget op basis van een vooraf ingediend en vastgesteld plan (MBO).
In principe wordt het bedrag van het functiebudget opgebouwd uit het aantal deelactiviteiten die de functiebegeleider begeleidt.
Vervolgens wordt dat bedrag verminderd met de halve opbrengst uit verkoop van het vorig jaar.

Dat budget is bestemd voor:

  • het ontwikkelen en trainen van deelnemers;
  • het aanschaffen van hulpmiddelen en aanpassingen;
  • het bekostigen van materialen en (kleine) gereedschappen.

Bij het beheer van het functiebudget behoeft de functiebegeleider geen aparte administratie aan te houden per deelactiviteit.
Een nijptang is immers bij verschillende deelactiviteiten bruikbaar. Wel kan het om agogische redenen nuttig zijn voor de functiebegeleider om de vinger aan de pols te kunnen houden m.b.t. de vraag hoe, waaraan en ‘aan wie’ hij het budgetgeld voornamelijk besteedt.

12b3. Mentoraatbudget per deelnemer...

De mentor heeft een jaarlijks mentorbudget op basis van een ingediend en vastgesteld plan (MBO).

In principe wordt het bedrag van het mentorbudget opgebouwd uit het aantal deelnemers waarvoor het mentoraat wordt gevoerd. Deeltijd plaatsingen voor deelnemers tellen hierbij voor vol mee zolang geen relatie kan worden aangetoond tussen de deeltijd en de verminderde mentoraatkosten.

Op dit budget wordt in principe niet gekort: wel vervalt aan het eind van het jaar een eventueel restbudget en wordt een nieuw budget verstrekt op basis van een (bijgesteld) mentorplan (MBO).

Dit budget is bestemd voor alle kosten verband houdende met het mentoraat:
overhead; vervoerskosten; ontvangst/overleg met andere disciplines; huisbezoeken; consumpties; verwantenparticipatie.

Bij de uitgaven van dit budget geldt wel een verantwoording per deelnemer, echter ook hier is een bijgehouden administratie t.b.v. de financiën behoudens de gebruikelijke geautomatiseerde kasafrekening niet nodig.

12c. Personeelskosten...