9c. De groep en de groepen...

Het deelnemersbeleid van Coloriet in 1995 is niet langer gebaseerd op het ‘groepensysteem’.
Deelnemers vervullen een eigen deelnemersfunctie in het dagcentrum en de verschillende deelactiviteiten bepalen de plek waar de deelnemer bezig is en de andere deelnemers die hij daar ontmoet. Het is ook de deelnemersfunctie welke bepalend is of en zo ja, waar er enige vorm van samenwerking gestalte krijgt.

Met deze opzet wordt de groepssamenstelling zoals we deze in 1990 binnen Coloriet kennen, verlaten.
Uitzondering hierop vormt de HV-groep, die in de vleugel van Coloriet een eigen ruimte heeft. Maar ook daar wordt per deelnemer vastgesteld in hoeverre de groep als verschijnsel nodig is. Die noodzaak zal daar leiden tot een vaste groepssamenstelling.

De ontwikkeling waarbij niet langer het ‘groepensysteem’ wordt gehanteerd, is nieuw voor Coloriet en daar is bewust voor gekozen.
In de nieuwe opzet ontstaan uiteraard ook groepen. Binnen een dagcentrum met 42 (+) deelnemers en 4 ateliers is het ondenkbaar dat er geen groepen deelnemers ontstaan. Maar dit is dan wel een logische groepsvorming op basis van individuele deelactiviteiten en kan dan ook dagelijks wisselen. Daarbij moet dan tevens worden aangetekend dat een op deze wijze gevormde groep niet met hetzelfde bezig is: iedere deelnemer is bezig met de eigen deelactiviteit. Het is slechts de ruimte waarin dat gebeurt (het atelier), het moment waarop dit plaatsvindt (dinsdagmiddag) en de begeleiding die hij daarbij ontmoet (leider x) waardoor de groepssamenstelling op dat moment bepaald wordt. De kantine vormt binnen het dagcentrum de centrale ontmoetingsplaats.

9c1. De groep als organisatiemiddel...

De groepen, zoals we die binnen Coloriet in het verleden kenden, hebben een lange historie achter de rug. Zowel in de bouw van Coloriet als in de verschillende werkwijzen die door de jaren heen gehanteerd zijn, heeft het groepensysteem een dominerende rol vervuld. Er is over dagverblijven en deelnemers daarbinnen nauwelijks goed na te denken, zonder daarbij te vervallen in ‘groepsdenken’. Het aanbod dat een dagcentrum aan haar deelnemers kan doen, verwordt in de dagelijkse praktijk tot een ‘groepsaanbod’.

Nadenkend over het groepensysteem zoals dat jarenlang is gehanteerd, maakt de conclusie onvermijdelijk dat de dominerende rol van het groepensysteem ingebakken zit in het gegeven dat het hier om een perfect organisatiemiddel gaat.
De groepssamenstelling, de groepsruimte, de te hanteren structuur, de groepsprocessen en het activiteitenaanbod kan maximaal worden beheerst.
Overzichtelijkheid in de beheersing van het groepsgebeuren is een belangrijke voorwaarde voor voldoende sturing van de groep als geheel. Het evenwicht in de taakverdeling en de werkbelasting van personeel en deelnemers kan maximaal worden vastgesteld en bewaakt.
Andere – niet organisatorische – elementen, zoals veiligheid, vaste plek, vertrouwdheid en structuur voor de deelnemer, worden moeiteloos ‘meegenomen’ in dit groepensysteem.

Kortom: het loslaten van het groepensysteem lijkt het kiezen voor de chaos te zijn. Je gooit een perfect organisatiemiddel overboord.Alles wat daarvoor in de plaats komt, lijkt minder geschikt, kwetsbaarder en onoverzichtelijker te zijn.

Coloriet kiest derhalve toch voor de stelling dat:
niet de deelnemer binnen de groep centraal moet staan,
niet het groepensysteem binnen Coloriet centraal moet staan,
maar dat de deelnemer centraal staat binnen het gehele dagcentrum(aanbod).

9c2. De groep als belemmering...

Na bijna drie jaar een arbeidsmatige werkwijze gehanteerd te hebben, kunnen een aantal ontwikkelingen worden waargenomen. Allereerst dient opgemerkt te worden, dat deze drie jaar voor zowel de deelnemer als personeel gekenmerkt kan worden als een leerperiode.
Was de groep bij de start van de arbeidsmatige werkwijze een welkom organisatiemiddel, toch merken we nu dat dit slechts een overgangsperiode betreft. Bouwkundig groeiden alle groepen uit hun jasje. Een extra complicerende factor. Maar deze factor buiten beschouwing latend, zien we binnen de arbeidsmatige werkwijze dat deelnemers en groepen oplopen tegen de groepsgrenzen.

En dit beeld zien we ontstaan binnen alle groepen en op alle trajecten van het verblijf van de deelnemer:

  1. bij de plaatsing.
  2. bij de formulering van het aanbod.
  3. bij de uitvoering van de activiteiten.

ad.a: Bij de plaatsing van een deelnemer wordt – uiteraard – gekeken naar de mogelijkheden en interesses van de deelnemer. Maar vervolgens kijkt men naar de groepen binnen het dagcentrum. Het vervolg laat zich raden: binnen welke groep is er nog een open plaats cq kan er nog een open plaats gerealiseerd worden? Als deze benadering van vraag en aanbod niet precies past, komen al snel interne overplaatsingen ‘in beeld’. Het groepensysteem vereist dat eenvoudig.

ad.b: Bij de formulering van het aanbod aan de deelnemer spreken wij niet meer van het totale aanbod van het dagcentrum, maar van het groepsaanbod van de groep waarin hij is geplaatst. De deelnemer wordt dus geconfronteerd met een zeer beperkt aanbod. Daarbinnen is dan nog wel enige keuzevrijheid, maar een keuze daarbuiten is in de dagelijkse praktijk vrijwel onmogelijk. Men moet daarvoor de groep verlaten en daarmee komt de ‘beheersbaarheid’ van het groepensysteem direkt in gevaar. Evenzo verzet de groepscultuur die aldus ontstaat zich daartegen.

ad.c: Bij de dagelijkse programmering van het groepsaanbod valt op dat – na het al genoemde ruimtegebrek –het voornamelijk gezamenlijke activiteiten betreft. Deze gezamenlijke activiteiten worden gelijktijdig aangevangen en beëindigd. Het groepensysteem maakt dat niet alleen mogelijk, het groepensysteem dwingt dat ook af. Ook afgedwongen wordt dat deelnemers – verplicht – goed met elkaar moeten kunnen opschieten. Dat kan natuurlijk niet, maar het groepensysteem vereist dat wel. Differentiatie t.b.v. de individuele deelnemer komt nagenoeg niet van de grond. Individuele groei van deelnemers m.b.t. vaardigheden bij arbeidsmatige activiteiten worden hierdoor belemmerd.

Zo wordt – ongewild – voorkomen dat de individuele deelnemer zijn status (gevoel voor eigenwaarde) in toenemende mate ontleent aan de activiteiten die hij verricht. In diezelfde mate zal die status dus ontleend moeten worden en moeten blijven aan de stoel waarop hij zit: de groep.
Al deze ontwikkelingen en signalen zijn in toenemende mate binnen Coloriet waarneembaar en leiden tot de conclusie: het groepensysteem staat zichzelf in toenemende mate in de weg.

9c3. De groep als deelnemersbehoefte...

Het is al eerder gememoreerd, indien het groepensysteem als organisatiemiddel wordt losgelaten, betekent dit nog niet dat er geen groepen meer zijn binnen Coloriet. Wij noemden reeds de HV-groep. Wij noemden tevens de groepen welke min of meer spontaan ontstaan op basis van deelactiviteiten van individuele deelnemers. Het ‘groepenverschijnsel’ heeft uiteraard naast het fungeren als organisatiemiddel ook een aantal andere waardevolle aspecten in zich.

Wij noemden reeds de vertrouwdheid, de basisveiligheid, de structuur en de eigen plek voor de individuele deelnemer. Welnu: indien en voor zover er door en voor een individuele deelnemer de behoefte aan een dergelijk aanbod is aangetoond, ligt er voor Coloriet de opdracht daarop te organiseren. De ontwikkeling laat echter zien dat de individuele groei van deelnemers in arbeidsmatige activiteiten het werk voor hen belangrijker maakt en de groep (het groepsverschijnsel) daaraan meer ondergeschikt wordt. Coloriet dient die groei te honoreren i.p.v. te belemmeren en ziet dat als een bevestiging voor haar keuzes. Dit laat echter onverlet dat ontwikkelingen ook in andere richtingen kunnen gaan. Extra handicaps, terugval, veroudering, enz. kunnen de noodzaak van een vaste(re) groep van de ene op de andere dag boven tafel brengen.
Coloriet is daar niet blind voor. Coloriet vervloekt het groepsverschijnsel niet. Coloriet rekent slechts af met het groepensysteem als organisatiemiddel. Daaraan wordt door de jaren heen te veel ondergeschikt gemaakt.

10. Uitgangspunten personeelsbeleid voor 1995...